Over regionale sturing van Circulaire Economie

Bron: Planbureau voor de Leefomgeving

Ontmoeting PRIMO en Planbureau voor de Leefomgeving

Een dialoog tussen Alfons de Vries (gemeente Enschede), Teun Meulepas (Provincie Noord-Brabant), Jan Bart Dekker (gemeente Amsterdam), Martin Jonker (gemeente Haarlem), Johan de Kruijf (Radboud Universiteit), Johannes Halman (Universiteit Twente) , Rolf Sloots (gemeente Emmen), Izak van Blijderveen (BMC), Arnold van Kampen (gemeente Rotterdam/RISNET), Lex Hoefsloot (gemeente Ede), Jack Kruf (PRIMO Nederland), Frank Dietz (PBL), Aldert Hanemaaijer (PBL), Maikel Kishna (PBL)

  1. Presentatie over de rol van het PBL in CE

Zitten strategische grondstoffen in monitoring? Ja, het gaat om kritikaliteit van materialen, wat valt onder het kopje ‘relevantie grondstofstromen’.

Het monitoringssysteem is primair ingestoken vanuit nationaal beleid. Maar er is veel relevante kennis bij gemeente en provincie die ook in de nationale kennisbasis nodig is. We moeten nog beter zicht krijgen op: adresseren we vragen van regionaal niveau voldoende, kunnen we nationaal gerichte kennis op regionale schaal voldoende toegankelijk maken en welke (empirische) kennis is er op regionaal niveau die relevant is voor het nationale systeem?

  1. Hindernissen in de regio

Spanning tussen lange termijn transitie en 4-jarige cyclus. Transitie kost tijd en effecten zien nog meer, maar een bestuurder zit er 4 jaar en wil in dat tijdsbestek effecten zien/resultaten boeken. Beleidsinzet op CE leidt voorlopig maar mondjesmaat tot resultaten binnen 4 jaar. Een manier om dit probleem aan te pakkenis door met allerlei partijen vanuit een visie op 2030 terug te redeneren over wat nu wel en niet te doen. Dit werkte in het verleden in een ander geval bij Noord-Brabant (Strategische Agenda). Voorwaarde is wel dat de overheid niet twee petten opzet (proces sturen en inhoudelijk belang).

Te veel vrijblijvendheden in de wet. Rioolaansluiting is verplicht, maar statiegeld niet. Doelstellingen voor CE zijn er wel, maar we zien weinig terug in acties. Bij woningbouwuitdaging is er een sterke drive vanuit Den Haag, en daar zet Amsterdam op in. Vanuit de wet is geregeld dat je maatschappelijke voorzieningen op lange termijn moet plannen en dan gebeurt het ook. Als het niet vanuit wet is geregeld, dan gebeurt het niet.

Een manier om dit probleem aan te pakkenis door CE te koppelen aan het dominante marktdenken; we krijgen die CE wetten nu alleen als het gaat om veiligheid en gezondheid. Het is ook van belang om met wetten niet de techniek te kiezen, maar aan te geven wat het beoogde doel is, met dynamische doelen over tijd. Denk aan oplopende eisen stellen voor het gebruik van secundair materiaal in gebouwen. Als lokale overheid kun je randvoorwaarden creëren, zoals infrastructuur, opgeleid personeel en meer. Ook speelt de sociale dimensie sterk op lokaal niveau. Door in te zetten op bijvoorbeeld meer schoonheid in de leefomgeving met circulaire gebouwen, kun je in harten en gedachten van mensen komen. Hergebruik van hulpmiddelen in zorg kan ook. Hoewel je als lokale overheid wellicht maar een kleine economie hebt, heb je wel een voorbeeldfunctie.

Naast aandacht voor registreren ook het risicoperspectief gebruiken. De presentatie over het monitoringssysteem kwam vooral registrerend over. Maar waar hebben we de grootste risico’s? Als dat bijvoorbeeld de leveringszekerheid van aardmetalen betreft, zouden we daar dan niet als eerste beleid moeten voeren? Waar zitten risico’s met betrekking tot gezondheid?

Meer aandacht voor design is nodig. Het ontwerpperspectief is van belang. In productontwerp maak je andere afwegingen en kom je tot andere ontwerpen, afhankelijk van de verhouding tussen kosten voor arbeid en kosten voor materiaal. Ontwerp is te beïnvloeden via contracten; wat vraag je via inkoop? Dit zou ook interactiever moeten: samenkomen, niet belerend zijn, en zoeken naar nieuwe rollen en werkvormen. Een manier om dit probleem aan te pakkenzijn voortschrijdende eisen en ketensamenwerking. Het helpt om als gemeente helder te zijn over aankomende eisen naar het bedrijfsleven. In Enschede wordt een aanpak gehanteerd waarbij de uitkomst van een project de minimale eis is van het volgende project. Als je innovatie wil bevorderen heb je dynamiek in je systeem nodig. Maar hoeveel gemeenten doen dit nu echt?

Gebrek aan georganiseerde inkoopkracht van overheid. De overheid kan zich veel sterker organiseren om macht uit te oefenen in de markt. Er zijn nationale en internationale voorbeelden die laten zien hoe de markt gaat leveren als er vanuit inkoop iets wordt georganiseerd (terwijl de markt eerder had aangegeven niet te kunnen leveren). Als regio kun je marktmacht organiseren, maar dat vraagt inkoopkracht. Dit is ingewikkeld om te organiseren. Bestuurlijk commitment wisselt, inkoopvolumes verschillen, er is interne weerstand van categorie eigenaren, etc.

Een voorwaarde om dit probleem aan te pakkenis dat CE niet het speeltje blijft van een partij, maar dat het een gedeelde verantwoordelijkheid wordt (ook voor volgende colleges). Er is ondersteuning nodig bij het maken van afwegingen, bijvoorbeeld door directeuren. Zo komt het voor dat budgethouders besluiten standaard auto’s te kopen, omdat er voor hetzelfde bedrag minder duurzame auto’s kunnen worden gekocht. Door de total cost of ownershipals uitgangspunt te nemen, in plaats van enkel de aanschafprijs, kan de beslissing mogelijk ook anders uitvallen. En er kan ook in andere oplossingen worden gedacht, zoals duurzaam deelvervoer.

Een ander noodzakelijk element om dit probleem aan te pakkenis een heldere set van criteria om te scoren op innovatie en R-strategieën die geschikt zijn om in te zetten bij aanbestedingen. Daarin kun je ruimte laten voor innovatie. Toch botst dit met de voorkeur voor bewezen technologie/risico-aversie; ‘in het openbaar bestuur mag niks fout gaan’. Bereidheid om te accepteren dat er dingen fout gaan is daarom nodig, zo kun je proactief/transitiegericht handelen. Lastige is wel: proactiefingrijpende politici scoren minder stemmen dan politici die krachtig ingrijpen naeen ramp.

Zorgen over bestuurlijke en ambtelijke kwaliteit. Het bestuur heeft een rol. Wat wil je zien? Welke doelen stel je, hoe wil je die bereiken, hoe rapporteer je erover, etc. Het doelbereik nu is vaak: wat hebben we afgelopen jaar bereikt? Maar CE is lange termijn – koppeling tussen uitgaven nu en resultaten even loslaten.

  1. Afsluitende opmerkingen en belangrijkste advies aan PBL

Het hielp dat het PBL ook over het concept van de donuteconomie heeft nagedacht en gesproken, dat gaf draagvlak om het te gebruiken op gemeenteniveau.

Rolf Sloots: Wetgeving is niet de oplossing, maar het kan zeker helpen om innovatie te stimuleren. Hoewel er nu wellicht wat weerstand is tegen het besluit om aardgasloos te bouwen – is dat niet te vroeg? – kijken we hier later op terug als een belangrijke stap die voor innovatie heeft gezorgd. Door vanuit ketens te kijken, kun je de CE-opgave in breder perspectief te zien.

Jan Bart Dekker: Het sociaal domein en het meekrijgen van mensen is van belang. Het PBL komt vaak technocratisch over. Het is voor de CE-opgave van belang dat achtergestelde groepen in de samenleving de voordelen van CE als eerste ontvangen (zoals een mooiere leefomgeving).

Arnold van Kampen: In Rotterdam hanteren we bij de energietransitie het Triple A idee: awareness, access, en adoption. We proberen private wooneigenaren te verleiden. We passen een commerciële werkwijze toe in het sociaal domein. Zoek naar elementen die je met kracht kunt inzetten (bijvoorbeeld met opdrachtgevers in de bouw afspreken hoe je duurzaamheid een plek geeft. Dat kun je als PBL inbrengen) en naar samenwerking andere partijen (zoals brancheverenigingen).

Alfons de Vries: Treed als planbureaus gezamenlijk op als het gaat om CE, sociaal en andere thema’s. Er ligt ook een rol voor het PBL om de ervaring op regionaal niveau bijeen te brengen. Er is heel veel ervaring en kennis, maar dit ligt versnipperd door het land.

Teun Meulepas: Benoem als PBL ook het wenkende perspectief van CE. Waar gaan we nou naartoe? Het zou houvast bieden als de nationale overheid zou zeggen, dit is waar we naartoe streven. Vragen voor het PBL: hoe depolitiseren we CE? Kunnen we randvoorwaarden definiëren die nuttig blijken bij het creëren van een CE? Wat zijn dingen die je lokaal kunt doen om CE een kans te geven?

Martin Jonker: De duurzaamheids- en economische aspecten zijn duidelijk in beeld bij het PBL. Meer aandacht voor het sociale element kan zorgen voor een groter bestuurlijk draagvlak voor CE. Ecologie en sociaal dus nadrukkelijker verbinden.

Johannes Halman: Probeer te komen tot criteria voor CE-activiteiten. Verbind die criteria vervolgens op een slimme manier aan procurement.

Lex Hoefsloot: Het depolitiseren is belangrijk, CE moet niet alleen aan GroenLinks hangen. De rol van overheid als launching customer is belangrijk. Regionale overheden hebben gezamenlijk een gigantische inkoopmacht, maar die gebruiken we bijna niet op een bewuste manier. Het PBL kan helpen door het idee van een launching customer en inkoopmacht te promoten. Hoe zet je dat in binnen de regels en op een slimme manier?

Izak van Blijderveen: Breng kosten en baten breed in beeld. Denk aan het gebruik van MKBA om goede voorbeelden op te halen. Mensen aan de onderkant van de samenleving moeten ook winnen, maar daar hangt wel een prijskaart aan.

Johan de Kruijf: Geef aandacht aan resultaten en effecten bij de onderkant van de samenleving. Een ander, politiek en ingewikkeld punt is: we moeten af van de eigenheid van gemeenten op dit dossier. Bij het opstellen van een samenwerkingsverband op inkoop wil bijvoorbeeld iedereen een ander accent. Ten slotte: we moeten aan de slag en niet te veel focussen op verantwoording. Anders komen we nergens.

Jack Kruf: Er zijn zes transities die tegelijkertijd lopen. Dat vraagt veel van organisaties. PRIMO pleit ervoor om op directieniveau samen met het college langere lijnen te ontwikkelen voor CE, en hier als college een verbindend en communicerend geheel van te maken (ook door inkoop erbij te betrekken).